Benevolence. (verhaal) Inkijk (verhaal)
Overzicht van ander geschreven werk en publicaties
<<

SCHRIJFWERK

Langs de weg


waait de wind door een boek
een fotofilm wappert
aan een heg van dode bomen

Een vrouw bukt over haar mand
het geraamte van huizen
steekt uit, op het dak
strijkt een man specie glad

De slager heeft zijn uithangbord opgehangen
aan een stok
een kamelenkop
een krans van rode tomaten

Een ploeg van vier mannen
schuift langs de weg
en houdt de zandvlakte tegen
met een hark, twee bezems en een schop

En niemand herkent de geheime agent
omdat hij ons met plezier
het brood brengt

Hij vertelt ons dat jullie Maria ook vereren

Als ik hier woonde,
zou ik me wassen in de blauwe tobbe
in de tijd dat de palmboom een stam krijgt

De kameel die niet durft over te steken
De kameel die verderop op zijn zij ligt
heeft de kleur van zand gekregen

Wanneer je even niet uit het raam kijkt
weet ik dat het me gelukt is
de juiste woorden te vinden
voor wat ik met mijn leven aan het doen ben

In het huis

In het huis
tussen de snelweg en het spoor
draai ik me langzaam
op mijn zij
en als ik me losgemaakt heb
van het bed
moet ik me losmaken van het water

Daarna sta ik boven in het huis
Met een fijne kam in mijn hand
De wind blaast losse tonen
Tegen de ramen
Er ligt vloeipapier
Over de braakliggende grond
De man die er zijn caravan parkeerde
Hij draagt een gieter naar de buitenkraan

en het gaat niet alleen hierom
het kijken door het glas
op armlengte afstand
een misstap die alleen
vanuit een ander perspectief kan passen

Je mist de bus
Je steekt een houten arm in de lucht
Je past het glas in je hand, schuift het
naar het midden van de tafel
Je zegt iets
dat zich stoot, dat niet ver draagt
en de dingen die in gedachten leven
trekken zich terug.

Nachtpon

Om mij uit de greep van mijn nachtpon te bevrijden
licht ik mijn heup, mijn hand zoekt
in mijn kussensloop
het is donker
en ik kom bovendrijven

via de kast, de stoel, de lijst om de deur
ik roep de schare bijeen
word een kamer, word een huis
strek je uit, meter voor meter
geef me een lievelingsbeker
en een potlood
één die ik lang genoeg houd
om op te maken
ik wil dat mijn geliefde het merkt
als ik met ingehouden adem over hem heen
mijn been uitstrek naar de grond
en de lusjes van de vloerbedekking
levensgroot voor me zie

met mijn ogen dicht
in een droom die niet loslaat
een koude wc-bril
ik weet wel waar ik ben

ik sta bij de pont
ik fiets door de stad
ik wacht voor het stoplicht
ik houd het hek open
alles blijft nieuw
niets verdwijnt om voor zich te spreken
het land is bezaaid met wegen
ik zet mijn fiets aan de kant

in bed gooi ik het sprei opnieuw over ons uit
en denk aan een visser op het water
ook hij is er niet
in dit donker
dat ik ken als een herinnering
word ik telkens teruggegooid